Index

Stuur uw eigen verhaal in.


  • Moeder, mag ik zeeman worden
  • Onze man in Tanger
  • Scherven
  • Op de lamp
  • Vissen in Soerabaja
  • Mijn start bij het Korps Mariniers
  • Herman op de Doorman
  • Inspectie op Erfprins
  • Eens marinier, altijd marinier
  • Kiespijn
  • Orkaan op de Noordzee
  • Koken voor het Koningshuis

“Moeder, mag ik zeeman worden?”

Met deze woorden van onze (groot)vader, sergeant der mariniers Michiel Jacobus George Harte (14 november 1911 – 7 februari 1975) was de liefde voor de Koninklijke Marine geboren. Een lange militaire carrière die begon op 20 maart 1933 bij het Korps Mariniers met registratienummer 11.11.14.02 en marinenummer 07189. De Koninklijke Marine loopt vanaf dat moment als een rode draad door zijn leven en later, toen wij ons levenslicht zagen ook door die van ons.

De jaren '30

Na de ‘aanstelling in den Rijkszeedienst’ volgde er een periode van militaire vorming op de voormalige marinierskazerne aan het Oostplein in Rotterdam in bak 5 van 1933. In de akte van aanstelling is te zien dat dit voor een aanvangsbezoldiging van 0,94 guldencent per dag was als marinier der derde klasse bij de Afdeling Rotterdam. Al in juli 1934, nog geen anderhalf jaar na indiensttreding was daar de eerste lange overtocht naar toenmalig Nederlands-Indië. Een overtocht met de MS Johan de Witt, die later dat jaar uit de vaart werd genomen. 

Na een reis van een maand kwam hij op 3 augustus 1934 aan in Soerabaja en werd geplaatst op de marinekazerne Goebeng. 

Ruim drie jaar later in september 1937, keerde hij terug aan boord van de MS Dempo. Na op 22 september 1937 de keerkring te zijn gepasseerd, kwam hij na de lange reis op 5 oktober aan in het herfstachtige en koude Nederland. Deze terugreis naar Nederland duurde op drie dagen na ook een maand. Waarschijnlijk hadden zij wind mee?

De jaren '40

Een aantal jaren later breekt er een roerige periode uit in Nederland en andere delen van de wereld. Een periode waarbij de Nederlandse strijdkrachten, en in het bijzonder het Korps Mariniers zich moesten opmaken voor iets waarvan men hoopte dat het nooit zou gaan gebeuren. Het onvermijdelijke gebeurde in de meidagen van 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. Vlak daarvoor, in april 1940 was hij overgeplaatst naar Hellevoetsluis en heeft daar tot de capitulatie diverse oorlogshandelingen meegemaakt, waarbij mariniers in en rondom Rotterdam heldhaftig hebben gestreden. Voor hem was het een enorme tegenslag dat hij bij maatregel van de bezetter op 15 juli 1940 uit de zeedienst werd ontslagen. Er braken vijf lange jaren aan in een bezet Nederland. Maar het recht zal uiteindelijk zegevieren in 1945: de Duitsers worden ontwapend, waarbij onder anderen mariniers de Duitse wapens innamen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd hij terug in werkelijke dienst geplaatst. Op 28 mei 1945 vervolgde hij zijn loopbaan en werd als marinier der eerste klasse geplaatst bij de Naval Party 3001 te ’s-Gravenhage. In de drie jaren erna volgden plaatsingen op de ‘Marine Kazerne Amsterdam’ en de Afdeling Mariniers in Tilburg, in Volkel en in Bergen op Zoom. In 1948 volgde er, bevorderd tot korporaal der mariniers een tweede uitzending naar Nederlands-Indië. De MS Zuiderkruis vertrok op 14 mei 1948 vanuit Nederland.

De jaren '50

De marinekazerne “ Oedjoeng/ Pasiran” werd zijn nieuwe thuis met een tijdelijke aanstelling als sergeant der mariniers in 1950. De twee politionele acties vonden plaats en die gebeurtenissen lieten een onuitwisbare indruk achter. Het vertrek van de SS Cyrenia valt samen met de terugplaatsing naar de oorspronkelijke rang van korporaal der mariniers . De tocht naar Nederland begon op 21 november 1950.

Tot 1955 werd het verblijf in Nederland afgewisseld met plaatsingen op de Van Braamhouckgeestkazerne in Doorn, het Amfibisch Oefenkamp Texel en op de nieuwgebouwde Van Ghentkazerne in Rotterdam. In 1951 werd hij definitief bevorderd tot sergeant der mariniers en volgden diverse plaatsingen aan boord van Hr. Ms. De Ruyter, wachtschip Hr. Ms. Willemsoord en bij het 6e Infanteriebataljon.


In de jaren ’50 breekt er een nieuw tijdperk aan in de geschiedenis van Nederland en de Koninklijke Marine: Nederlands Nieuw-Guinea. Anders dan voorgaande reizen was de deze trip naar Nieuw-Guinea op in januari 1955 met het vliegtuig. Qua reistijd een luxe, want die duurde maar één dag. De marinekazerne Biak werd zijn nieuwe verblijf met plaatsingen bij de stafcompagnie en de infanteriecompagnieën Biak en Sorong. In juni 1956 keert hij, na een periode van anderhalf jaar terug naar Nederland.

 

Nieuw Guinea

De laatste periode bij zijn geliefde Koninklijke Marine en in het bijzonder ‘hét Korps’ duurde nog enkele jaren. Hij verbleef wisselend in Doorn en Rotterdam en aan zijn actieve tijd kwam op 1 maart 1962 een eind. Na bijna 30 dienstjaren, waarvan bijna negen jaar in de Oost werd het tijd voor eervol ontslag uit de zeedienst wegens langdurige dienst; de barang kon in de kast.

 

Uit Dienst

De lange actieve dienstperiode bij de marine heeft zijn leven beheerst, maar ook daarna bleef het Korps Mariniers een grote rol spelen . Wat wij als kinderen meekregen, was de kameraadschap en de enorme verbondenheid met de marine en de mariniers. En niet te vergeten; de discipline! Ook na zijn actieve periode bleef hij zich inspannen om de oud-mariniers met elkaar te verenigen als voorzitter van het Contact Oud Mariniers Rotterdam (COM) in de periode van 1964 tot aan zijn overlijden in 1975. Het motto “eens marinier, altijd marinier“ is bij ons ingeburgerd.

 

 

Michiel Jacobus George Harte , Sergeant der mariniers
14/11/1911- 7/02/1975

Toegekend:
Bronzen Medaille
Ereteken voor ‘Orde en Vrede’ met gespen 1948 en 1949
Oorlogsherinneringkruis met de gesp voor bijzondere krijgsverrichtingen mei 1940
Zilveren Medaille
Gouden Medaille



Mieke Harte
Chiel Hartt
Roy van der Wagt (kleinzoon) 

 

Onze man in Tanger

 

Ieder bemanningslid krijgt, voordat hij op een schip wordt gestationeerd, een weekje nautische training. Ingewikkelde knopen leggen, het besturen van een oude sleepboot en nog tal van zaken waar elke opvarende tijdens zijn of haar loopbaan mee te maken krijgt.

Een van de eenvoudigste klusjes is het gooien van het zogenaamde keesje. Een keesje is een klein met grind verzwaard leren zakje, dat wordt gebruikt om tijdens het aanmeren de eerste lijn tussen schip en wal te leggen, waarna de loodzware trossen kunnen worden overgebracht. Onze instructeur (een grijze schipper die zijn roeping als Kapitein Iglo had gemist) gaf een prachtige demonstratie. Eerst toonde hij ons het keesje en liet iedereen er even in knijpen. Vervolgens liep hij naar de waterkant, slingerde het keesje als een lassoboven zijn hoofd en liet het los. Tientallen meters verder plonsde het in het water. Wij applaudisseerden en probeerden stuk voor stuk zijn afstand te overtreffen. Niemand slaagde erin, maar het onderdeel “keesje gooien” hadden we snel onder de knie.

In de loop der jaren heb ik heel wat keesjes gegooid. De meeste zijn mij na drie decennia ontschoten, behalve die ene keer in het Marokkaanse Tanger. Het was warm en winderig. Op de kade stond een kleine man met een bruin gelaat en een zwart mutsje op zijn hoofd. Tussen zijn lippen hing een peukje waar geen rook meer uitkwam. Of hij speciaal op ons stond te wachten of gewoon een wandelingetje maakte, was niet geheel duidelijk. Maar aangezien er buiten hem niemand te bekennen was, restte ons niets anders dan hem tot onze trossenlegger te benoemen. Na de nodige handgebaren scheen de man te begrijpen wat hij moest doen en maakte ik mij op hem het keesje toe te werpen. Denkend aan Kapitein Iglo slingerde ik het zakje driemaal rond mijn hoofd en liet het los. Twee tellen later lag de man knock-out op de kade. Het keesje had hem zo hard op zijn neus getroffen dat hij onmiddellijk gestrekt was gegaan en roerloos bleef liggen. Toen iedereen van het lachen was bekomen, drong de ernst van de situatie tot ons door: de man zou voorlopig niet opstaan en de aflandige wind blies ons steeds verder van de kade.

Dat we uiteindelijk, met hulp van een passerende kleedjesverkoper, toch nog konden aanmeren, zal de man met het mutsje een zorg zijn geweest.

 

Onze man in Tanger.
tekst : Marcel Vaarmeijer illustratie : Marco Stoker
(beide opgekomen 20-08-1979 als SNRT3)

Scherven

Een van de fijnere dingen aan boord is zon­der twijfel het testen van de bemanning op onverwachte gebeurtenissen: een verdwaal­de torpedo, brand in de kombuis, een plotse­ling opduikende ijsberg. Het enige nadeel aan zulke oefeningen is dat ze altijd worden gehouden op momenten dat er geen gevaar dreigt. Om die reden leek het de officier van de wacht een goed idee de bemanning (in­clusief de commandant) eens op een echte verrassing te trakteren.

De zee lag er rond het middaguur rimpelloos bij. Het rood-wit-blauw hing slap in de mast en iedereen die geen dienst had genoot van een welverdiende middagrust. Op de brug stond officier Pettersson verveeld voor zich uit te staren. Pettersson was een slanke blonde man, die het na een mislukte carriere bij de onderzeedienst nu bij de bovenzee­dienst kwam proberen. Door zijn overdreven geldingsdrang verwachtte hij altijd iets meer van zijn ondergeschikten dan ze gewend waren. Desondanks hadden we hem geaccep­teerd, al konden we hem bij tijd en wijle wel overboord knikkeren. Na een uur over het water te hebben gestaard, sloeg de onrust in officier Pettersson weer toe. 


 

Blijkbaar herinnerde de stilte hem aan zijn vastgelopen carriere en besloot hij tot actie over te gaan. Met een ruk draaide hij zich om en verliet de brug. Even later kwam hij terug met een groot metalen dienblad, tot de rand toe gevuld met messen, vorken, bor­den, kopjes en schoteltjes. Hij ging naast het seinersbankje staan, trok de microfoon uit de houder en schakelde hem in. Het volgende moment liet hij het volle dienblad uit zijn handen vallen. Met een oorverdovend geklet­ter viel het op de vloer. Vervolgens drukte Pettersson op de alarmknop en beval de machinekamer per direct de turbines stop te zetten.

Wat er daarna plaatsvond valt nauwelijks te beschrijven. Als wilde apen renden alle 180 bemanningsleden met zwemvesten, hel­men, gasmaskers en noodrantsoenen door de gangen. Er ontstonden vechtpartijen bij de trappen, er waren er zelfs die in huilen uitbarstten. Tot die groep behoorde niet de commandant, wiens hut zich onder de brug bevond. Nog geen minuut na het incident was hij boven, gekleed in een wit T-shirt en een lange onderbroek. Pettersson stond nog met de microfoon in zijn hand en keek bedroefd naar de scherven op de vloer; een tafereel dat opvallend veel gelijkenis vertoonde met zijn toekomst bij de marine.

Scherven
tekst : Marcel Vaarmeijer illustratie : Marco Stoker
(beide opgekomen 20-08-1979 als SNRT3)

Op de lamp

Voor het jubileumjaar van de Koninklijke Marine ben ik gevraagd of ik een stuk wil schrijven over mijn tijd bij de marine. Dat vind ik een hele eer en doe dat graag, maar ik moet daarvoor toch wel een behoorlijk stuk terug in de tijd.

Het is 1985. Ik woon op dat moment nog in Huizen N-H. Ik ben de jongste uit een gezin van drie kinderen en mijn vader is beroepsmilitair bij de Koninklijke Marine. Hij werkt bij de MLD als vliegtuigmaker. De marine is voor mij niet iets onbekends, het is mijn vaders werk dus sinterklaasfeestjes en andere feesten en partijen vinden daar plaats. Ik ben opgegroeid in Katwijk, uiteraard omdat mijn vader geplaatst was op Vliegveld Valkenburg. Toen ik negen jaar was werd mijn vader overgeplaatst en gedetacheerd bij de Landmacht in Crailo en kon terug naar Huizen waar hij vandaan komt.


Tot die tijd werd eigenlijk altijd wel verwacht dat mijn broer misschien ooit in mijn vaders voetsporen zou treden, wat ook gebeurde. Hij ging varen en kwam dan thuis met mooie verhalen, maar goed ik was nog steeds helemaal niet bezig met het marine verhaal. Dat gebeurde een jaar later toen mijn zus eigenlijk op aanraden van mijn broer naar de marine ging. Ze werd na negen maanden beëdigd en het was traditie dat familie kwam kijken. Ik zat op dat moment voor de tweede keer in drie Havo en vond er helemaal niets meer aan op school. Dus de dag dat mijn zus werd beëdigd zag ik voor de eerst in mijn leven een hele andere marine. Mijn aandacht was gewekt en ik besloot om me in te schrijven voor een open dag. De dochter van een vriendin van mijn ouders was vliegverkeersleidster bij de marine geworden en dat leek me wel wat. Op naar Utrecht naar de open dag. 


Mijn neef Herman Kos had zich ook ingeschreven en we kwamen elkaar daar tegen. Later hebben we nog samen gevaren.


Na afloop papieren ingevuld en toen moest ik thuis gaan vertellen wat mijn plannen waren. Dat viel niet helemaal in goede aarde. Mijn vader had toch gehoopt dat er een iemand ging studeren. Ik wilde altijd naar de kunstacademie en waarom ik dan nu al mijn plannen overboord gooide. Maar gelukkig had ik ook een lieve moeder die nuchter nadacht en zei: “Je kunt het haar niet verbieden. De rest zit er ook dus laat haar in ieder geval naar de keuring gaan.” Ik ben mijn moeder nog eeuwig dankbaar. En dus ging ik met de trein naar Amsterdam naar het Marine Keuringscentrum. Dat was wel even wennen hoor. Ik had de verhalen al gehoord maar er daadwerkelijk zitten was een ander verhaal. Steeds werden er weer mensen met jas en tas naar de balie geroepen en die zag je dan ook niet meer terug. De keuring zelf was ook al behoorlijk spannend, omdat je geen idee had wat je allemaal te wachten stond. Bloed prikken daar zag ik het meeste tegen op, dus ik was heel blij dat ik meteen moest en niet kon nadenken omdat ik bang was tegen de vlakte te gaan.

Alle testen gingen prima, gehoor test was zelfs heel goed en we kregen zelfs een soort morse test. Die had ik blijkbaar nogal goed gemaakt en men vroeg of ik geen zin had om ODVB-er te worden. Blijkbaar was de opleiding vliegverkeersleiders gestopt, maar ze zochten wel ODVB-ers. Die zorgden voor al het inkomende- en uitgaande berichtenverkeer. Verder de keuring afgemaakt. De MARID die ging nog doorvragen wat nou mijn banden waren met Duitsland, aangezien mijn moeder daar vandaan kwam en of ik ook in het Oostblok kwam en daar familie had. 

Nou nee, en wat een rare vragen allemaal dacht ik. Mijn vader zit toch ook bij de marine dus dat is toch allang bekend. Nog een test van voor mijn gevoel 500 vragen. Vraag 15: Houd je van bloemen? Ja. Vraag 100: Houd je van rozen? Eh ja…oh god wat had ik ook alweer ingevuld, even terugbladeren.

Zweet in mijn handen, maar binnen de tijd afgemaakt. Daarna moest ik nog ergens in een kamer komen met een officier. Die bleef maar vragen waarom maak je je school niet af? En meer van dit soort dingen. Maar ik had blijkbaar nogal goede antwoorden steeds dus ik mocht weer gaan. Achteraf bleek dit mijn laatste gesprek te zijn. En ik was dus een op een verhoord door een oud collega van mijn vader, die achter de schermen had opgebeld en gezegd dat ze er maar vooral voor moesten zorgen dat ik mijn school ging afmaken en me niet aan moesten nemen. Het antwoord van de man naar mijn vader was duidelijk.” Ze had overal een goed antwoord op, dus we hebben haar maar aangenomen” Zo zie je maar weer dat een “ kruiwagen” bij de marine niet altijd leuk is. Ik was dan ook bijzonder blij dat ik een dienstvak had gekozen waar mensen mijn vader niet kenden. Ik ging het op eigen kracht doen.

Op 16 september 1985 was het zover. Met de trein naar Den Helder om je daar te melden bij een KPL die ons vervolgens naar Willemsoord bracht. Daar zat je dan te wachten in de Stern tot je werd opgeroepen. Hier en daar zag ik wat mensen van de keuring uit Amsterdam. Daar ging je dan maar bij zitten want je voelde je toch best alleen. Die marine was toch best spannend.
Een of andere vrouwelijke KPL riep mijn naam en dus sloot ik me aan bij mijn bak. Ik zat in de EMMV. Je ging langs het plunjemagazijn, kreeg van alles in je handen geduwd en werd een hoop geroepen en gezegd. 

We hadden een week de tijd om in al onze spullen namenlabels te naaien. Kroonprins Willem Alexander was in dezelfde week in dienst gekomen en hij ging eerst op bivak naar Texel. Dank je Alex, nu kon ik mijn kistjes tenminste wat uitlopen. Texel vond ik trouwens vreselijk.

In een tent slapen en maar doelloos rondlopen. Ik was gelukkig gewaarschuwd van te voren anders was ik misschien wel meteen uitgerouleerd. Hier moest ik even doorheen.Dames sliepen op Willemsoord in de Dwergmeeuw. Allemaal slaapzalen met stapelbedden. 

Hoop gedoe iedere morgen in de douche ruimte en ik viel van de ene verbazing in de andere. Sommige stonden zo vroeg op die moesten nog heel veel make up opbrengen en anderen rolden vlak van te voren hun bed uit. De EMMV duurde twee maanden. Hierin werd je het begrip marine bijgebracht. Rangen en standen leren, schietles, exercitie, baksgewijs, stormbaan, EHBO, de raarste termen kwamen hier voorbij met de smerigste plaatjes over wat je allemaal kon oplopen. Getver, ik kwam uit Huizen NH. Zestien jaar jong, ik weet het niet hoor maar doe even lekker normaal, dat wil ik helemaal niet weten wat je allemaal kunt oplopen. De marine had sowieso een eigen taal. Die leerde je in sneltreinvaart aan. Schoenen heten sepatoes en chocolademelk heette ineens poeroet.

 

Een of andere KPL van de mariniers Morien ging iedere vrijdag staan schreeuwen vlak voordat je naar huis mocht.
De tirade eindigde dan met verdwijn met je lichaam en neem je graten mee. Ik moest dan zo vreselijk lachen maar dat mocht niet, dus gezicht in de plooi anders mocht je niet weg. Kpl Morien liet ook nog even weten wel klaar te zijn met de afdeling van familie De Groot, want ik was nummer drie die hij al tegen was gekomen in een korte tijd.  
Van mijn ouders had ik een briefje gekregen dat ik mocht passagieren door de weeks omdat ik nog zo jong was. Wat een vrijheid ineens, het marine leven was toch heel leuk.

 

De EMMV zat er gelukkig op. Stormbaan etc. was niet mijn ding en nu ging ik eindelijk naar de opleiding waar ik voor kwam. Op naar de Opschool in Den Helder.Iedere dag hing de vlag boven de school zodat je wist welk tenue je aan moest. Meestal gewoon je daags blauw en dan liefst met rok en hakken want dat stond zo leuk.De opleiding duurde best lang. Je moest alles leren van lichtmorseseinen (LMS) morse, telexen, crypto, RTG, Engels, vlagseinen, radio apparatuur en van alles en nog wat. Onze baksmeester was Sgt. Gerlach. Die werd regelmatig stapel gek van ons. We hadden veel meiden in klas 8546, dus het gekakel was niet van de lucht. Meestal stond ik tijdens het LMS-en op het plein met Annemieke Boelders. We waren echt een twee-eenheid. Ze is tot op de dag van vandaag nog steeds mijn vriendin. Alle plaatsingen waar we heen gingen, hebben we samen doorlopen. Samen ingerouleerd en ook samen uitgerouleerd.Door de weeks werd er flink gestapt en in op vrijdag zat de hele ODVB ploeg in hetzelfde treinstel, duidelijk herkenbaar aan het morse geklepper met de asbakjes. Vrijdagavond stortte ik meestal in een diepe slaap en werd dan wakker op zaterdag middag.

Mijn moeder zei dan altijd: “ leuk dat je er bent, je bent echt gezellig”. Zondagavond weer terug, het was gezellig in de trein en je kon uitslapen of stappen.Tijdens de opleiding zijn we ook nog met een groep dames gedetacheerd bij de Mijnendienst omdat er te weinig plek was in de Dwergmeeuw. Dit was ook een super ervaring. Een heel klein knus wereldje binnen de marine.

Na 9 maanden werd ik beëdigd en mocht de eed of belofte afleggen. Je moest op het kruisje gaan staan en ik zwoer trouw aan de Koningin en was heel trots was dat ik dit mocht doen.

Na de opleiding aan de Opschool moesten we nog naar de NBCD school. Hier werd je ingewijd in de wereld van Nucleair, Biologisch, Chemisch en Damage controle. Je moest leren hoe je je gasmasker af moest doen en nieuwe filterbus erop moest doen. 

Hoe je brand moest blussen aan boord en wat te doen bij een chemische aanval, en als er waterschade was hoe je deze gaten moest dicht maken, d.m.v. stutten en schoren. Dat laatste vond ik wel stoer. Stond je in een soort schip en die werd onderwater gezet en dan moest je maar zien hoe je de boel dicht kreeg met behulp van splinterbakken, hout en keggen.

Nadat ik dit had afgerond werd ik geplaatst aan boord van Hr.Ms. Zuiderkruis. Het was of de Poolster of de Zuiderkruis. Dit waren de enige schepen met vrouwen aan boord. 
Omdat er maar twee schepen waren ging je met alle meiden uit je opleiding naar hetzelfde schip en dat was toch wel fijn. Hut 645, dat werd mijn nieuwe bestemming. 

Het was ondertussen 1986. De Zuiderkruis lag in Rotterdam Rozenburg in dok en daar moesten we dan ook naar toe om in te rouleren. 

Iets wat je dus je hele marine carrière bleef doen. Ik vergeet nooit hoe trots ik was toen ik voor de eerste keer met mijn plunje baal de valreep van de Zuiderkruis op liep. Nu zat ik echt bij de marine. Toen ik tijdens mijn allereerste vaart van Rotterdam naar Den Helder op de brug zat was ik zo vreselijk blij. 

Ik voer alleen nog op de Nieuwe Waterweg en ik was nu al overweldigd door wat er gebeurde. Ik had mijn roeping gevonden.

Dit was zo bijzonder, dit kon je niet beschrijven aan mensen die dit niet meemaakten. Wat een wereld. We waren de eerste marine in de wereld die met vrouwen aan boord van schepen voeren. Vrouwen waren er altijd geweest bij de marine maar gemengd varen was iets wat nog slechts een handje vol vrouwen hadden mogen meemaken. 

Hoe bijzonder het was dat bleek niet lang daarna. De media viel als een gek over het gemengde varen heen. In de show van Karel de Graaf werden de vrouwen nog net niet aan het kruis genageld. Het was duidelijk, wij vrouwen lagen onder een mega vergrootglas. Iedere “misstap” werd breed uitgemeten in de pers en men sprak er schande van. Dan stond je op het station in je uniform en wilde eigenlijk wegduiken want je voelde je erg bekeken. Er was ook een groep binnen de marine waar je altijd commentaar van kreeg dat vrouwen niet thuis hoorden bij de marine.

 

In ieder geval niet aan boord van een schip.

Gelukkig was dat aan boord van de Zuiderkruis niet zo, en werd het varen met een gemengde bemanning over het algemeen juist als prettig ervaren. Het was ook vaak een soort angst. Sommigen waren bang dat vrouwen dingen gingen verpesten en steeds gingen klagen over van alles en nog wat of dat ze werden voorgetrokken. Alleen vrouwen bij elkaar is ook niet alles en zeker geen aanrader op een marine schip. Mannen zijn veel rationeler dus juist het werken met mannen heb ik altijd als zeer prettig ervaren. Ze waren ook zeker niet te beroerd om te helpen als iets niet goed ging. Fysiek zijn we nu eenmaal niet hetzelfde.

Ik vond ook altijd dat als je op een plek zat van een man in deze mannenwereld, dat je jezelf dan ook honderd procent moest inzetten en niet piepen, want anders dan had je daar niets te zoeken. Die instelling werd altijd wel op prijs gesteld.

We haalden regelmatig het nieuws. Er kwamen televisieprogramma’s aan boord om te filmen hoe die vrouwen nu leefden aan boord van hr.ms. schepen o.a. in de documentaire “de Vrouw als krijger”. Hierin werden vrouwen van de Landmacht, Luchtmacht en de Koninklijke Marine gefilmd. Op de Zuiderkruis had je een paar vrouwelijke matrozen die aan dek werkten bij de nautische dienst en echt hun mannetjes stonden tussen al die kerels. Op de foto van de documentaire ben ik ook te zien met o.a. mijn maatje Annemieke Boelders. 

25 januari 1987 was een vreselijke koude winter en wij vertrokken met het eskader naar de West. 28 mei zouden we weer terug komen. En nu maakte je dus echt mee wat het was om lang van huis te zijn. Ouders en familie vaak huilend op de kade en ik had een knoop in mijn maag van spanning. Ik wilde weg, de zee op. En zo geschiedde. Je zag Den Helder steeds kleiner worden en daar gingen we dan de wijde wereld in. 

Het leven aan boord kon je bijna vergelijken met werken in de gewone wereld alleen ging je niet naar huis. Je deed je werk, sliep, ging op post. Wij werkten als ODVB continue dienst. Maar er was tijd genoeg voor ontspanning. Feestje in het caf, sportdagen op het helidek gevolgd door een optreden van de scheepsband en vaak een bbq. Horse races, carnaval, wat werd er eigenlijk niet gevierd. Die ontspanning had je ook gewoon nodig want verder moest er vaak geoefend worden. 

Om je takenboek af maken moest je allerlei opdrachten maken die betrekking hadden op je dienstvak anders werd je geen Matroos 1. Het geluk was aan mijn kant en ik werd op de brug geplaatst. Hier had ik echt meer mee dan met de radio. Als ik dan achter de tactical zat met mijn koptelefoon op en mocht praten met andere schepen op zee was ik helemaal in mijn element. PADB de PAZI// AV26-4// t 25 over?

Dat klinkt toch alleen al heel goed op papier, laat staan door de ether. Het viel me wel op dat ik vaak antwoord moest geven. Blijkbaar vonden de schepen die geen vrouwen aan boord hadden het ook fijn als er een vrouwelijk stem via de speaker naar binnen kwam.

De Zuiderkruis was een bevoorrader. Je deed niet echt mee met alle oefeningen die de S-fregatten wel deden, maar zodra er op zee een RAS was dan was het hele schip in rep en roer. 

De Romeo ging at the dip. Zo heette dat. Dan waren we klaar om te rassen. De officier van de wacht of iemand anders riep de magische woorden. Seiner op de lamp!!
Dat was het helemaal. Je mocht dan achter de 10” inch” staan en lichtmorse seinen met andere schepen. Ik vond en vind het nog altijd een prachtig dienstvak. Er verschenen kleine stipjes aan de horizon en die werden steeds groter en ineens lag er dan een S-fregat of de Tromp of de Ruyter met hun imposante bol naast je. Schietlijnen over, nog meer kabels tot probe connected klonk. Olieladen op volle zee. Maar ook bier en wat niet, al varend ging alles naar de overkant. En vaak kwam er post onze kant op. Post was uitermate belangrijk omdat dit het enige middel was om contact te hebben met het thuisfront. Dus je was altijd blij als er weer een brief of pakje voor je werd bezorgd.

 

En dan was het rassen weer voorbij en net zo snel als de schepen naast je lagen, zo snel waren ze weer weg ook. Vooral bij de S-Fregatten kreeg ik altijd kippenvel als ze dan met hun Rolls Royce motoren bijna wegvlogen…dat zoevende geluid, een enorm zog achterlatend. Oh prachtig dacht ik dan. Niet wetende dat ik er ook nog ooit op een zou gaan varen.

Tijdens de oversteek van dertien dagen was er op de Atlantische oceaan wel tijd voor een sportdag in het weekend. Dat was lachen gieren brullen. En improviseren. Allerlei teams tegen elkaar. En na de sportdag was daar onze scheepsband met o.a. Monique van Rijnsbergen, Peter van Spijkeren en John Rijlaarsdam om de boel lekker op te leuken. En dat konden ze goed. 

De rest van de reis bracht ons nog in Martinique, prachtig eiland alleen Fort de France was de eerste haven waar ik ontdekte dat mooie eilanden ook een keerzijde hebben, de kakkerlakken waren ongeveer zo groot als een mandarijn en liepen rustig door je patat te marcheren. 

Puerto Rico, Curaçao, waar mijn broer woonde dus familiebezoek, Mayport en Baltimore, nog meer havens werden aangedaan. Baltimore was een prachtige haven waar het eskader midden in the Inner Harbor lag en de bemanning zo de valreep afrolde de kroeg in. De Zuiderkruis mocht daar als tanker helaas niet liggen dus wij lagen aan een of andere steiger een paar kilometer verderop, tja dat hoorde er ook bij. Als je in een haven geen weekenddienst had, was je vrij en mocht je van boord als je maar op tijd terug was anders was je achterzeiler.Dus Walt Disney World werd aangedaan maar ook Washington Dc. In die tijd was Ronald Reagan nog president.

Ondertussen verdiende je letterlijk bakken met geld. Je kon het niet eens allemaal uitgeven. In die tijd hadden we nog allemaal girobetaalkaarten en cheques, die je dan voor cash geld moest verzilveren bij de Toelus. En als ze bijna op waren belde ik snel via een collect call naar huis zodat mijn vader een nieuw pakje opstuurde. 

Eigenlijk stond je er niet eens bij stil hoeveel je verdiende op die leeftijd en dat je gewoon in landen kwam waar je vrienden thuis nog nooit van gehoord hadden, laat staan er geweest waren. Het werd bijna gewoon.

Als verbinderlaar zag je natuurlijk vaak berichten die anderen niet zagen en dus kwam er ook een telex voorbij met daarin de bekendmaking van het vaarprogramma voor 1988. Dan was er de viering van het 200 jarig bestaan van Australië en daar ging dan een eskader heen. De Zuiderkruis zou daar bij zitten. Hiep hoi, hoe gaaf is dat. We konden natuurlijk niet hardop zeggen dat we erheen gingen maar ik zag mezelf al lopen.

 

Tot ik op zekere dag lekker zat te eten en er werd gezegd, “goh heb je het al gezien, je staat op de P! “ Dit was de personeelslijst in de whalegang waar opstonden wie er werden overgeplaatst naar andere schepen of instellingen van de KM. Ik wist niet hoe snel ik moest gaan kijken en ja hoor Matroos 1 ODVB S. De Groot marine nummer 69168 werd overgeplaatst naar Hr.Ms. Callenburgh. Verzoek in gediend voor handhaving plaatsing, maar daar werd geen gehoor aan gegeven. Daar ging mijn Australië reis Fairwind 88. En eindigde mijn tijd op Hr.Ms. Zuiderkruis. Dag A832, PAZI. Je was een wereldschuit.

Met mijn maatje Annemiek Boelders en nog een aantal, Loes van Oerle, Jantien Leegwater, Jolanda Voordendag richting Hr.Ms. Callenburgh. Een S-fregat. De marine had besloten dat er vrouwen gingen varen op de fregatten dus er werd geschoven met personeel. Weer uitrouleren en inrouleren. Ik zat nu op de F808, PADB. 
De Callenburgh kwam net uit groot onderhoud en kreeg een bijna nieuwe bemanning. Dat betekende opwerken in Engeland in de FOST. Die naam alleen al. Dat was 6 weken bikkelen met seariders van de Engelse marine en alleen op zaterdag en zondag in de haven. In het weekend massaal naar Weymouth op naar the Greasy Spoon.

Veel gevaren dat jaar o.a.schip van de wacht,  en op 1 augustus 1988 gingen we het stationsschip aflossen in de West. Ik meen de Jan van Brakel. We vertrokken uit Den Helder tegelijk met het eskader die naar de Oost ging. 

 

Fairwind ‘88. Daar zat ik niet bij.
Ik voelde me zo ellendig. En in een lange stoet verdween het eskader aan de horizon. De rust keerde weer terug. Wij sloegen rechtsaf, naar de West. Lekker doorstomen want je hoefde niet te oefenen met andere schepen. 

De west reis was prachtig. Halverwege de reis kwamen er twee antilianen aan boord waarbij we ons massaal gingen inschrijven om ons rijbewijs te halen op Curaçao. Dat kon toen nog. In 3 weken had je dan je papiertje. Rijden kon je nog bijna niet maar dat maakte ons niet uit.
Ook nu deden we weer prachtige havens aan. Vera Cruz in Mexico, Aruba, Curaçao, st. Maarten, Martinique, Dominicaanse Republiek, Fort Lauderdale, San Juan Puerto Rico, Venezuela. Tussendoor stuurde ik veel kaarten naar huis maar ook naar mijn vriendinnen op de Zuiderkruis. Ik kreeg ook kaarten terug uit Perth en Sydney en andere havens. Het was heerlijk wat te horen uit de Oost. Ik schrok enorm toen we als verbindingsdienst berichten kregen van het overlijden van de commandant van de Zuiderkruis en later nog een opvarende waarvan bij ons de naam niet bekend was. 

Wij lagen aan de andere kant van de wereld maar het nieuws kwam bij ons ook hard binnen. Het gaat om marinemensen en ook nog eens op je oude boot. Dus je denkt meteen aan ze. Ik heb ook nog geschreven naar een van mijn vriendinnen aan boord van de Zuiderkruis hoe erg ik het vond en kreeg later bericht terug. Daar ging wel een aantal weken overheen, want de post moest een lange weg afleggen. 
Op 15 december 1988 kwamen we weer terug in Nederland. Het was winter in Nederland en ons bruine kleurtje was dan ook snel verdwenen.

De Callenburgh ging het dok weer in en wij werden tijdelijk ondergebracht op Willemsoord. Ik hoefde niet meer met de trein naar Den Helder want ik kon nu auto rijden…een soort van. Uit veiligheidsoverwegingen heb ik thuis toch maar les genomen want de regels uit de West waren niet heel duidelijk. Ondertussen stond ik alweer op de P. En deze keer moest ik Den Helder verlaten. Ik moest me melden op NORA. Waar lag dat dan weer. 

Daarbij gingen mijn vriendinnen ook allemaal uit de marine. Ik zocht een baan in de burgermaatschappij en rouleerde op 16 september 1989 uit. Ik begon op 20 september bij mijn nieuwe werkgever.

Na al die jaren kijk ik nog steeds terug op de marine als een tijd die mij heeft gevormd. Ik ben daar opgegroeid, heb daar mijn puberteit doorgebracht. Ik ben in vier jaar tijd heel snel volwassen geworden. Ik heb nog nooit ergens zo een saamhorigheidsgevoel gehad als daar. De band die je met de mensen hebt die vind je nergens. Het samen lachen, samen huilen, voor elkaar klaar staan, het door het vuur gaan voor elkaar. Ik heb altijd met veel plezier en weemoed terug gedacht aan mijn marine jaren. 

Ben er trots op dat ik er deel van uit heb mogen maken. Ik heb nog altijd contact met mijn vriendinnen en door de komst van het internet en o.a. facebook is het alleen maar beter geworden. De Zuiderkruis is dit jaar met pensioen gegaan. Dus op 9 februari was daar dan de reünie voor oud opvarenden. We mochten nog een keer aan boord kijken. Ineens leek die oude hut zo klein, heb ik daar geleefd met negen meiden, hoe dan? De opkomst van mensen uit ‘87 en ‘88 was heel groot. Het saamhorigheidsgevoel was er nog altijd. En iedereen had er de pest in dat het over was na 9 februari, we hadden echt the Blues. Maar of het nu komt omdat we allemaal ouder zijn geworden en de tijd bij de marine extra belangrijk is geworden dat weten we niet dus i.p.v. iets eenmaligs zochten we elkaar weer op.

Op facebook zijn we heel hecht met elkaar, en soms gaan we ook weg met een groepje. Is er iemand jarig dan zie je meteen dat die persoon die dag overspoeld wordt door verjaardag wensen van oud-marine collega’s. Dat is heerlijk wakker worden. Wij zijn zelfs in november een weekend met een groep van 35 man van de Zuiderkruis weggeweest in een huis in Giethoorn. We waren benieuwd hoe dat zou gaan, maar het ging als vanouds. Geen onvertogen woord, iedereen werkte hard. Er werd heel veel gelachen en gesproken over vroeger. We spreken dezelfde taal. Hebben aan een half woord genoeg als we bij elkaar zijn. Laten elkaar in elkaars waarde, hoe verschillend we ook zijn. 

We hebben een aantal dagen geoefend, gingen rassen met de Zuiderkruis. Nu stond ik aan de andere kant op dat schip met die Rolls Royce motoren en dat mooie geluid. Maar ik had mijn linkerarm er voor gegeven om aan de andere kant te zijn, rechts had ik nodig om te seinen.

Ik had het heel erg naar mijn zin op de Callenburgh. Dat was ondertussen mijn thuis geworden. Prachtige en gezellige bemanning. Maar toch, ik wilde ook mee naar Australië.

En daar kwam na een aantal dagen de sailpast. Het traditionele afscheid als een schip een eskader verlaat om verder te reizen. Ik had het zelf al een paar keer mee mogen maken. Dat was altijd een feestje. Water spuiten, eieren gooien, zwaaien en gek doen.

Dus daar kwamen ze aan, een rij schepen achter elkaar en wij voeren een vaste koers. De schepen waren in volle paraatheid, spandoeken langs de reling, waterkanonnen klaar, eieren klaar om te gooien. Muziek aan, de sailpast kon beginnen.
Voorop Hr.Ms. Zuiderkruis. Ik sta dus op het seindek onder de bel. Dat was ik dus vergeten maar weet dat sinds kort weer door een foto van die dag.

Ik houd me groot en de A832 ligt naast ons. Ik kijk of ik mijn vriendinnen zie, want een groot aantal mocht blijven en wat zie ik hangen in de midscheeps? Een enorm spandoek met de tekst…SAB en JAN10, rustig aan in de West want jullie zijn toch al verpest. Ik brak toen ik dat zag. Al zat ik dan al ruim een jaar op de Callenburgh, daar gingen ze, mijn boot, mijn vrienden en vriendinnen, mijn brug, mijn hutje 645, zonder mij. 

Nou ergens in de duinen bij Noordwijk. Dus jas en tas weer mee, reispapieren en samen met Annemiek en Loes en Jolanda op naar Nora. Hier werd ik weer verenigd met Fera en Ellen en nog een aantal meiden van de Zuiderkruis, al zaten we allemaal op andere divisies. 

 

Wij waren de eerste vrouwen op NORA, alweer geschiedenis geschreven en de mannen daar waren niet echt blij met de komst van vrouwen in hun mannenbolwerk. 
Toch weer die angst denk ik voor verandering. Compleet onnodig want wij pasten ons prima aan. Op Nora had ik totaal geen gevoel dat ik bij de marine zat. Je liep in uniform maar daar hield het dan ook op. Je zat in een bunker onder de grond. De hele dag ratelde de telexen de pondsbandjes eruit van de schepen op zee, die je dan weer moest doorsturen naar de andere verbindingscentra in Nederland. Dodelijk saai want je wilde toch liever op de boot zitten waar die telex vandaan kwam i.p.v. onder de grond. We hadden een hele leuke divisie, de mannen waren echte ruwe marine mannen. De taal die er soms uit kwam en opmerkingen waren hysterisch. Bauke die zijn kinderen standaard schedel 1 en schedel 2 noemde en dat was nog netjes. We waren volledig geaccepteerd door de mannen.   
Na een aantal maanden werd het tijd om voorgoed uit te rouleren. De stoere marinemannen namen met tranen afscheid van hun meisjes. Ik had niet bijgetekend. Ik was ondertussen twintig jaar, had heel veel gevaren, maar had totaal geen binding meer met het leven thuis. Vrienden waren allemaal verder gegaan, ik snapte ze niet meer. Ik durfde niet bij te tekenen omdat ik dacht dan moet ik straks echt opnieuw beginnen, dan maar nu eruit. 

Daarbij gingen mijn vriendinnen ook allemaal uit de marine. Ik zocht een baan in de burgermaatschappij en rouleerde op 16 september 1989 uit. Ik begon op 20 september bij mijn nieuwe werkgever.

Na al die jaren kijk ik nog steeds terug op de marine als een tijd die mij heeft gevormd. Ik ben daar opgegroeid, heb daar mijn puberteit doorgebracht. Ik ben in vier jaar tijd heel snel volwassen geworden. 

Ik heb nog nooit ergens zo een saamhorigheidsgevoel gehad als daar. De band die je met de mensen hebt die vind je nergens. Het samen lachen, samen huilen, voor elkaar klaar staan, het door het vuur gaan voor elkaar. Ik heb altijd met veel plezier en weemoed terug gedacht aan mijn marine jaren. Ben er trots op dat ik er deel van uit heb mogen maken. Ik heb nog altijd contact met mijn vriendinnen en door de komst van het internet en o.a. facebook is het alleen maar beter geworden. De Zuiderkruis is dit jaar met pensioen gegaan. Dus op 9 februari was daar dan de reünie voor oud opvarenden. We mochten nog een keer aan boord kijken. Ineens leek die oude hut zo klein, heb ik daar geleefd met negen meiden, hoe dan? De opkomst van mensen uit ‘87 en ‘88 was heel groot. Het saamhorigheidsgevoel was er nog altijd. En iedereen had er de pest in dat het over was na 9 februari, we hadden echt the Blues. Maar of het nu komt omdat we allemaal ouder zijn geworden en de tijd bij de marine extra belangrijk is geworden dat weten we niet dus i.p.v. iets eenmaligs zochten we elkaar weer op.

Op facebook zijn we heel hecht met elkaar, en soms gaan we ook weg met een groepje. Is er iemand jarig dan zie je meteen dat die persoon die dag overspoeld wordt door verjaardag wensen van oud-marine collega’s. Dat is heerlijk wakker worden. Wij zijn zelfs in november een weekend met een groep van 35 man van de Zuiderkruis weggeweest in een huis in Giethoorn. We waren benieuwd hoe dat zou gaan, maar het ging als vanouds. Geen onvertogen woord, iedereen werkte hard. Er werd heel veel gelachen en gesproken over vroeger. 

We spreken dezelfde taal. Hebben aan een half woord genoeg als we bij elkaar zijn. Laten elkaar in elkaars waarde, hoe verschillend we ook zijn.
Dat is iets wat we geleerd hebben, je moest met elkaar om gaan want je zat nu eenmaal op diezelfde boot. Geen ontsnappen mogelijk. Dit maakt dat ik me daardoor gemakkelijk kan aanpassen in een groep, maar ook op het werk. Er is ook wel altijd veel bewondering als ze dan horen dat ik bij de marine heb gezeten en ook nog heb gevaren met mannen. Vandaag de dag is het lang niet zo bijzonder meer. Veel landen hebben vrouwen aan boord van schepen. Bij de marine heb je vrouwelijke commandanten van schepen gekregen. Maar in de tijd dat ik diende was het heel bijzonder.

Mijn hart klopt nog steeds hard voor de marine, misschien nu nog wel harder juist omdat je door het ouder worden beseft hoe bijzonder het is geweest en wat een voorrecht we hadden. Het geld was prachtig maar bijzaak. De landen die je kon bezoeken, de vrienden die je hebt overgehouden dat zijn dingen om te koesteren. Bij iedere reünie of bij de vlootdagen ga ik weer even terug in de tijd. Ik kan het niet laten om even aan de seinlamp te zitten en hoor dan ergens in de verte een stem…

Seiner…Op de Lamp!

 

 

 

Sabine Koperdraad-De Groot
Matroos 1 ODVB b.d.
16-09-1985 t/m 16-09-1989

Vissen in Soerabaja

In december 1949 waren wij, in afwachting van het thuisvaren, gelegerd op Wonokromo in Soerabaja. Dit kamp werd “De laatste snik” genoemd en die titel behoeft beslist geen nadere uitleg.

Kapitein 'Haarmeter'
Onze Commandant in dit thuisvaartkamp was de Kapitein der Mariniers Van Hameeten ook wel de “haarmeter” genoemd omdat hij zo bijzonder veel op onze haardracht lette.

Omdat het niet mocht lieten wij ons haar extra lang groeien en de haarmeter was er dan als de kippen bij om ons linea recta naar de kapper te sturen.

Kennelijk was hij dit persoonlijke initiatief spuugzat, want op een goede dag liet hij ons na “baksgewijs” nog even nablijven. Alle langharigen werden eruit gepikt en zo stond ik dan ook met nog een man of 40 aangetreden. Van Hameeten had voor een viertal kappers gezorgd en die moesten van ons,  “mannen waar hij een bijzondere hekel aan had”, weer model mariniers maken d.w.z. zeer kortharig.

Die arme kappers kregen nauwelijks tijd om enig fatsoenlijk model van onze haardos te maken en dus werden er enige banen op ons achteraf geschoren met de belofte dat wij later wel zouden worden gefatsoeneerd.

Het was een heen weer loperij naar de stoelen en het was Antoon Eeltink, de ex-facteur van het 4e Inbat, die om een stoel heen liep en zich ongeknipt meldde bij de Kaptein. Met een goedkeurende blik zei Van Hameeten: “Zorg dat het zo blijft, marinier!” Zonder dat hem ook maar een haar was gekrenkt kon Antoon inrukken. De rest moest zeker nog enige uren rondlopen met enige banen op het achterhoofd totdat de HH.Kappers tijd hadden voor de fatsoeneerbeurt.

 

Vissen

De tijd die wij in dat thuisvaartkamp doorbrachten was er een van verveling. De tijd werd dan ook gedood met voetballen, kaarten etc.

Zelf was ik tot de slotsom gekomen, dat er in de rivier die voor de tangsipoort stroomde, prachtige grote vissen zwommen. Ik sneed mij een bamboehengel uit de verse bamboes die daar overal groeiden en kocht in Soerabaja enige vishaken en wat snoer. Vol goede moed ging ik aan het vissen, maar wat voor aas ik ook aan dat haakje deed er kwam niet eens een vis in de buurt van mijn visgerei.

Toilet
Nu lag er in de rivier een prachtig stel latrines die op oliedrums in de rivier dreven. Een ideaal toilet dus! Alleen je hoofd stak er bovenuit en dus had je volop frisse lucht wat gezien de darminhoud die daar terecht kwam ook wel nodig was. Mij was al lang gebleken, dat die mooie grote vissen, kakaps geheten, daar onder die latrines op de loer lagen om zich al vechtend op die drollen te storten die geregeld naar beneden vielen. Omdat ik niets, maar dan ook helemaal niets kon vangen, besloot ik een der jannen te vragen om voor mij een ferme bolus in een blikje te doen. De 1e en 2e der poepers weigerden pertinent, maar bij de 3e had ik succes. Ik liet mijn haak in het blikje zakken en smeerde met een bamboelatje de bruine substantie aan de haak. Ik had deze lekkernij nog amper in de rivier laten zakken of ik had al een grote kakap aan de haak.

 

100 stokjes sate-ajam
Ik sleepte hem aan de wal en direct kwam de sate-ajam-man op mij af en vroeg hoeveel saté ik daarvoor wilde hebben. Wij werden het eens over 100 stokjes sate-ajam en deze werden door mij en de vele vrienden die ik onmiddellijk om mij heen kreeg met veel smaak verorberd. Ik ving er tamelijk veel en de maten en ikzelf kwamen de kip-sate’s bijna de neus uit.

 

Kakap's op het menu
Het was echter een bijzondere tijdsbesteding en later, veel later in 1993 bij mijn bezoek aan Indonesie, ontdekte ik, dat op de menu’s van de allerduurste restaurants deze kakap’s als een overheerlijke lekkernij werden aanbevolen. Geloof mij oude maten, deze Marinier heeft ze nimmer gegeten en zeker niet na de verkregen zekerheid over hun favoriete voedsel. Vaak werd dit verhaal bij de reünies verteld en werd ik door de maten aan hun eega’s voorgesteld als “de strontvisser”, maar toch heb ik de onderscheiding “Orde en Vrede” gekregen en daar ben ik nog steeds beretrots op!

Mijn start bij het Korps Mariniers

Ik weet niet of het een mooi verhaal is.Maar is het wel de aanvang en begin

van mijn marine tijd.Het is de Zondag van de waternoodramp.
Ik was bij de Katholieke Arbeiders Jeugd (K. A .J),na mijn schooltijd op de LTS als machinebankwerker. De oorlog was net afgelopen en in bioscoop journaal zag ik de beelden van de watersnood 1953.Inmiddels werkte ik als onderhouds monteur in de energie voorziening van een bedrijf.

Mijn gedachten waren “bij die club wil ik zijn”,maar toen ik dit thuis vertelde was de eerste reactie “je bent nog veel te jong eerst nog 'n jaartje of zo wachten”.

Dus na 'n jaar stond ik er weer:  “nou goed, laat je maar keuren”, met de stille hoop “dat lukt toch niet zo'n klein manneke”. Zo gezegd en gedaan: eerst Eindhoven, geen enkel probleem. Hierna volgde Voorschoten, dit was andere koek althans volgens mijn vader. Dit duurde 'n week en na 'n dag of twee komt hij wel weer naar huis als het niet eerder is. Moeder gerust !

Na enkele weken lag de oproep van Voorschoten in de bus. Hoi hoi, zo spannend vond ik het. Het duurde niet ’n dag, geen twee, maar een dikke week. Even voor de duidelijkheid: ik heb in dat jaar mijn avondschool en bemetel afgemaakt.

 


Uiteindelijk stond ik voor de deur van de selectie-officier niet helemaal gerust. Totdat ik binnen werd geroepen,en stond voor het bureau van de man waar voor mij alles van afhing, en die mij mededeelde dat ik de keuring met goed gevolg afgesloten had. En goedgekeurd was voor het korps mariniers was het of ik of ik door de grond zakte!


Ons moeder had nog zo gezegd,wel in het vak blijven. Waar ik de brutaliteit vandaan haalde, ik weet het niet, maar dat kan helemaal niet zei ik tegen de officier,ons moeder hi gezeet ge moet in oew vak blijven. Waarop de officier zonder aarzelen antwoordde: “okee, dan wordt je stoker, gefeliciteerd.”En nog ben ik de marine en ons moeder dankbaar, want dankzij dit heb ik mijn machinistendiploma gehaald en prachtig vakleven gehad.

Herman op de Doorman

Mijn droom als kleine jongen was iets meer van de wereld te zien, door dat de 2e wereld oorlog begon voor Nederland in 1940 kreeg dit een andere wending. Mijn stad Venlo had veel te verduren door de vele bombardementen (13)  zijn school  in puin, leraren vertoonde zich niet meer, bang om opgepakt te worden. Toen de oorlog over was heb ik allerhande klusjes gedaan om te overleven. Op eens verschenen er  op aanplakzuilen plakkaten met  de tekst meld je aan bij de Marine. Beter kon het niet de marine bood mij een verdere ontwikkeling in mijn middelbare school opleiding en ik krijg nog geld toe. Na mijn basis opleiding in 1947 bij de marine werd ik geplaatst op de Hr Ms Karel Doorman ex Nariana  (omgebouwde koopvaarder) die net terug was van een reis uit ons voormalig

Nederlands Indië, het schip lag afgemeerd in de waalhaven te Rotterdam,de Cmdt was KTZ F.J.Kist . 

De 1e Karel Doorman was oorspronkelijk een casco bestemd voor de koopvaardij en de Engelse Marine heeft er een Fleet Carrier van laten maken dit schip had wel een lift, er waren ook een aantal schepen omgebouwd van Shell tankers, zoals de Acavus, Alexia macoma en vele andere. Dit waren de zogenaamde M.A.C. schepen  (Merchant Aircraft Carriers), zij voeren onder een  Nederlandse gezagvoerder maar met  een militaire bemanning aan boord plus de nodige vliegtuigen, de vliegtuigen stonden gewoon aan dek, deze schepen hadden geen lift. Shell kreeg hiervoor een vergoeding per maand zogenaamd( “demise charter’’).

 

Enige tijd later vertrok  de oude Doorman naar Engeland waar we de Ex Venerable zouden overnemen van de Engelse marine. Wij matrozen hadden een zware taak om het schip weer roestvrij te maken, het schip was net gereed toen de oorlog afgelopen was en had sinds die tijd geen onderhoud meer gehad.   In het voorjaar  28 Mei 1948 te Plymouth werd het schip overgedragen aan de Koninklijke Marine. Niet lang er na vertrok het schip richting Rotterdam. Het schip werd afgemeerd op de boei  op de maas voor  het noordereiland. Toen het schip voldoende voorraad had en de bemanning aangevuld was met personeel en van de MLD vertrok het schip om de bemanning vertrouwd te maken met het schip en de nodige scheepstrainingen af te werken.

Ook werden de katapults eerst nog afgesteld in de marine haven van Portsmouth, na enige tijd vertrok het schip naar de Schotse wateren en werd er geankerd voor het plaatsje Invergordon  menig Marineman bekend, op  16. Juni, 1948. 

Na het weekeinde werd koers gezet naar de baai Moray Firth in afwachting van de vliegtuigen  Firefly,s , die dan aan boord kwamen voor de eerste landing. vliegtuigen waren gestationeerd op de tijdelijke vliegbasis te Lossiemouth.

Menige vlieger moet wel geschrokken zijn bij zijn eerste landing, want bij sommige vlogen de spaanders over dek van de houten propellers, doordat men te dicht met de neus bij het vliegdek kwam, na enige tijd werden  ze vervangen door aluminium propellers . Sommige miste de vangkabel en belande dan in de barrier ( opvangnet van staaldraad, vaak moesten de matrozen op de EW en HW dan deze herstellen,( staaldraad vlechten) wat geen prettig klusje was.  Op 15 November ging de eerste vlieger Ltz 3 Van Wijck overboord en verdronk. Weken van oefeningen gingen voorbij, tot dat het schip en bemanning zover was voor  de eerste reis naar west Indië en gingen op weg naar Rotterdam.

Verbinding auto’s werden aan boord geplaatst bestemd voor het vliegveld Hato, vliegtuigen kwamen aan boord en de regering dakota kwam met gedemonteerde vleugels aan boord, gedeeltelijk werden de vliegtuigen en de dakota afgedekt voor het eventuele overkomende buiswater op zee. 2 januari  1950 voor het vertrek naar zee kwam Pr Bernard  en de Koningin Juliana aan boord  met nog een aantal gezanten en ministers. Na een korte bezichtiging van het schip gingen zij weer van boord, kort erna  en vertrok het schip om 15.30, passeren om 18.00 uur hoek van Holland. De tocht er heen werd het schip begeleid door de LVD Kruiser Jacob van Heemskerk en het fregat Johan Maurits .

 

Na dat we enige tijd op zee waren werd het weer slechter en gingen we voor anker bij de Las Palmas de Heemskerk en de Maurits gingen naar binnen om olie te laden. Op 16 jan komen we aan te Poto Rico waar we afmeren voor korte tijd, de Dakota wordt met een primitieve hijskraan van boord gehaald  met het gevolg dat een hijsdwarsbalk los schiet en boven op het vliegtuig terecht komt,  Pr Bernard stond op de brug er na te kijken ik heb hem nog nooit zo horen vloeken. Na het vertrek worden de op het dek staande auto’s naar beneden gebracht, er wordt een scheepsbemannigs foto gemaakt met Pr Bernard in het midden.

Enige tijd later wordt de Prins naar de Johan Maurits overgebracht per sloep. Vliegtuigen vliegen van boord en worden tijdelijk op Hato geplaatst stomen op richting de Caracas baai  om olie te laden aan steiger ligt de oude Karel Doorman maar nu weer omgebouwd als MS Victor. 

Op 8 Februari  hebben 2 vliegtuigen een onfortuinlijke landing, een breekt een vleugel een andere ligt boven op een 40 mm mitrailleur waar ik het onderhoud en de bediening van had, op 9 februari gaat weer een kist over boord bij het afschieten met de katapult  de piloot weet zich nog uit de kist te redden. Tijdens deze periode ook nog oefeningen gedaan met de U.S.A Navy met  de carrier D.Rooseveld. Na enkele maanden oefenen komt het schip op 4 Mei weer te Rotterdam. 

 

 

Ik werd tijdelijk overgeplaatst  MK Adam  voor de papierwinkel we gingen per trein naar Hoek van Holland en per  veerboot naar Engeland (Harwich) daarna met de  trein naar Southampton waar we op het passagiersschip  MS Mauritania  ,werden ingeboekt, voor de overtocht naar New York, vertrek op 15 juni ,aankomst te New York 21 Juni. 

Ik werd tijdelijk overgeplaatst  MK Adam  voor de papierwinkel we gingen per trein naar Hoek van Holland en per  veerboot naar Engeland (Harwich) daarna met de  trein naar Southampton waar we op het passagiersschip  MS Mauritania  ,werden ingeboekt, voor de overtocht naar New York, vertrek op 15 juni ,aankomst te New York 21 Juni. 

Vandaar gingen we per trein naar Boston (Marine basis) om daar de Van Amstel  klasse DE,s over te nemen . Na de indienstelling op 1 juni 1950 werd na een proefperiode naar Norfolk Marine basis gevaren, voor een schietopleiding  mitr en kanons. Daarna thuisreis met Hr Ms Van Ewijck en Dubois met zeer slecht weer. Na aankomst in Nederland overgeplaatst naar wachtschip Neptunes, gereed maken Hr Ms van Galen  torpedojager die op de Rijks werf lag  waar veel werk te doen was. 

Vandaar gingen we per trein naar Boston (Marine basis) om daar de Van Amstel  klasse DE,s over te nemen . Na de indienstelling op 1 juni 1950 werd na een proefperiode naar Norfolk Marine basis gevaren, voor een schietopleiding  mitr en kanons. Daarna thuisreis met Hr Ms Van Ewijck en Dubois met zeer slecht weer. Na aankomst in Nederland overgeplaatst naar wachtschip Neptunes, gereed maken Hr Ms van Galen  torpedojager die op de Rijks werf lag  waar veel werk te doen was. Gereed voor  Korea  en vertrek op vrijdag 16 maart 1951.Na  15 maanden en 5 dagen weer terug in Nederland op 21-6-1952.

 

PS: mocht je meer willen weten kijk dan eens op  www.Dutchfleet.net, hoe ik bij de Marine verzeild raakte.

Inspectie op Erfprins

Op de toenmalige “Elschool” , de school waar radioradarmonteurs en wapenelektronicamonteurs destijds de eerste vakopleiding genoten, was de regel dat op de vrijdagmiddag de leerlingen van een aantal klassen werden aangewezen voor “schoon schip”.

Zo ook die vrijdag in september.

Heel ijverig werd in groepjes van twee, drie personen het interieur van de school onder handen genomen. Er werd afgestoft, gedweild, geschuurd, noem maar op. Zaak was om het geheel “Spic & Span” op te leveren, want des te eerder konden we daarna “met weekend”.

Zo ongeveer een kwartier voor “vast werken” moesten we aantreden in hal van de school, waarna het Hoofd School , de overste in hoogst eigen persoon, de boel kwam inspecteren. Op de bovenverdieping beginnend, haalde hij steekproefsgewijs zijn witte handschoen langs trapleuningen, plafondlatjes, plinten, vitrinekasten.

Benden in de hal aangekomen, begaf hij zich naar het staatsieportret van, de toenmalige, koningin Juliana, dat er een centrale plaats aan de muur innam. Geschrokken keken we elkaar aan, we wisten het:  Vergeten!

Het Hoofd School streek met zijn handschoen over de lijst om vervolgens een aantal gitzwarte vingers naar ons op te steken met de vraag: “Wie heeft dat schilderij afgenomen?”

Kwam achter uit de groep de reactie: “Dat heeft u zojuist gedaan, overste…”

We gingen die middag wat later met weekend...

 

Eens marinier, altijd marinier

Deze kreet geldt ook zeker voor de voormalige dienstplichtige marinier, de z.g. marinier ZM. Ik ben in maart 1962 opgeroepen (’62-2). Wij waren de tweede lichting met het blauwe uniform en de rode streep. Wij zaten in de trein van het Haagse station Hollands Spoor naar Driebergen een beetje te dollen. Dat was niet naar de zin van de conducteur hij zei: “heren adelborsten dat had ik van jullie niet verwacht”. Ook worden wij aangesproken als postbode, je moest je inhouden om niks terug te zeggen, want wij waren zo trots als een pauw. Ik was getrouwd en moest 6 weken binnen blijven i.v.m. de opleiding. 

Met maten van bak ’62-2 voor de barak aangetreden in Doorn, met de dominee en de almoezenier. Ik zit gehurkt op de foto links (rechts) , foto rechts (staande 3e van rechts.)

Vader worden op een heel speciale manier

Mijn vrouw was in verwachting, wanneer zij moest bevallen wist ik niet precies, daar kwam ik later pas achter. Wij stonden na het mandiën aangetreden voor barak Rotterdam. Nadat wij schuttersputten hadden gegraven, gedeeltelijk met onze handen, moesten wij aan de dienstdoende officier onze handen laten zien. Hij stond bij mij stil en bulderde:” wat ben jij een viezerik met die vuile nagels, al het zand van de afgraving van Maarn zit onder je nagels. Ben jij nou vader, moet jij het voorbeeld geven aan je zoon”! Toen wist ik pas dat ik vader was geworden, dat is tegenwoordig niet meer denkbaar. Mijn vader, moeder, vrouw  en pasgeboren zoon, stonden voor het hek, ik mocht met mijn vinger mijn zoontje kietelen en dat was dat. Ik mocht niet even naar buiten en zij mochten niet binnen,” MARINIER TOCH”.

 

Weekend vieren... dachten wij...
Maar na die 6 weken was ik nog niet thuis geweest hoor! Wij stonden aangetreden op de vrijdagmiddag voor sloep naar de wal alt. Wij waren om door een ringetje te halen, de vouw in onze broeken daar kon je je vingers aan snijden. De schoenen en de pet glommen als een spiegel en de haren kwamen niet onder de pet vandaan. Hé, hé dacht ik,  eindelijk mijn vrouw en zoontje zien…..nee dus! De dienstdoende officier kwam inspecteren en mijn hart ging al bonzen, want ik zag licht branden bij de kapper boven de kantine. 

Ook zag ik in mijn ooghoeken de kapper handenwrijvend heen en weer lopen o jé. De officier kwam bij mij langs en gaf een zetje aan mijn pet, ja je haar is veel te lang, door hem mannen moeten jullie naar de kapper. Helaas is de sloep dan al weg dus het wordt denk ik morgen. 

Er werd gekeken of iemand commentaar gaf, nee hoor stalen gezichten. De volgende dag weer aantreden en dachten wij gaan eindelijk  weekend te vieren, weliswaar kort maar het was weekend . En wat denken jullie, nee hoor! Een andere officier, de officier van gisteren zat lekker thuis en had het een en ander natuurlijk doorgegeven aan zijn collega. Het zelfde verhaal wij glommen als hondenpikjes In de maneschijn in paringstijd. De officier kwam langs ging met zijn schoen over onze schoenen en met zijn hand pakte hij een pet, volgens ons had hij bewust een croquet gegeten. Je raadt het al de schoenen glommen niet meer en de klep van de pet zat onder het vet. Ik maak het maar kort: wij hebben dus geen weekend gevierd.

 

De schrik van mijn leven

Ik kwam in Doorn uit de vreetschuur en liep aan de linker kant van het exercitieterrein. Plotseling hoorde ik iemand bulderen: ” M A R I N I E R  zie jij je Generaal niet lopen, moet jij niet groeten voor mij”? Ik keek angstig om mij heen en zag aan de overkant van het terrein Generaal Nas lopen. Ik nam snel de houding en groette met trillende handen, van schrik bleef ik nog wel 10 minuten zo staan. Als je nu de huidige Generaals ontmoet, gaat dit gelukkig heel anders. Je kunt zelfs met ze praten, dat was vroeger niet denkbaar.  Wij begonnen al te sidderen bij het zien van een marinier 1e klas. 

Vervolgopleidingen

Na de basisopleiding gingen veel sobats van mijn bak naar Nieuw Guinea, ik hoefde niet omdat ik getrouwd was, wel werd er gezegd, dat als het uit de klauwen zou lopen,  ik ook naar NNG zou worden uitgezonden. Dat was totaal geen probleem, ook de zm’r stond paraat en ging zonder mopperen naar de bestemming die werd opgedragen: “qua patet orbis” toch!  Eerlijk gezegd denk ik wel eens dat de beroeps mariniers dat vergeten, dat wij de dienstplichtige ook altijd klaar stonden en staan!!  Zeer veel leden van het COM zijn dan ook dienstplichtige geweest en voelen zich in hart en nieren marinier! De opkomst 1962 is al heel lang geleden, maar nu ben ik  71 jaar en 1962 is 51 jaar geleden,maar ik voel mij nog in hart en nieren marinier. 

 

Trots als een pauw met 2 staarten

Ik ging naar de MP-opleiding in Rotterdam en daarna weer terug naar Doorn voor de MKS-NIS, dat is een hele mond vol (Marine Kader School Niet Infantristisch Specialist), voor de korporaals opleiding.  Na de opleiding ging ik als marinier 1e klas naar Marine kazerne Amsterdam. Na een tijdje moest ik bij de kleermaker komen en werden mijn korporaalsstrepen op mijn mouw genaaid. Jongens wat was ik trots, als ik de poort uitging galmde het:  “onderofficier van boord” en nam men de houding aan, er was toen ook nog de groetplicht. Ik was zo trots als een aap, maar ik heb nooit misbruik van mijn functie gemaakt. Ook als wij op patrouille gingen en er klopte iets niet dan kon de marineman of vrouw zich altijd verdedigen.

Ook in mijn latere functies bij de rijkspolitie en daarna bij Justitie Veiligheids officier, hoofd operationele beveiliging en bedrijfshulpverlening bij het arrondissement te ‘s-Gravenhage, heb ik dat standpunt ook over het personeel waar ik de leiding over had gehandhaafd. Ik zei altijd: “ik ben wel leidinggevende maar zonder jullie ben ik ook niets, haal een schakel uit de fietsketting je kunt trappen wat je wilt, maar je komt niets vooruit”. 

 

Aangetreden Amsterdam   (1963)defilé Koninginnedag Amsterdam (1963)

(Ik sta in het midden vooraan, kpl Slijkhuis 1e rot (wat loop ik er netjes bij hé)

In het midden, kpl Vogel was cdt)

Hopeloos verliefd

In de avond gingen wij de MP-klas een biertje drinken, ik dacht in een zijstraat van de Honingerdijk. Na een paar biertjes zei mijn maat: “Hans niet gelijk kijken maar dat stuk achter de bar kijkt  steeds naar mij, het is wel een lekker ding hé”.  Ik zag toen ik in het café binnenkwam al , dat het barmeisje (lees travestiet) hele grote handen had en een grof gezicht. Mijn maat zag dat allemaal niet meer, hij was hopeloos verliefd, met de nadruk op “hopeloos”. Ik zei tegen mijn maat vraag of zij met je wil dansen, “zij” valt helemaal op jou! Het “meisje” vond het prima. Wij konden natuurlijk niet meer van het lachen, zij waren innig aan het slijpen. Mijn maat kwam terug naar de bar met zijn dromerige ogen en zei:”ik heb het helemaal te pakken”. Ik fluisterde in zijn oor dat het een man was, je hebt met een man gedanst baroe”. Het huilen stond hem nader dan het lachen. Hij moest het natuurlijk nog weken horen…hé ga je vanavond nog naar je meissie!   

 

Op patrouille

Ik ging met mijn patrouillecommandant op patrouille in Amsterdam , alles lopend,  vervoer was schaars en communicatiemiddelen hadden wij ook niet. Wij moesten op een bepaalde tijd op een controlepunt zijn, mocht men ons nodig hebben, dan kon men ons daar ophalen. Mijn patrouillecommandant was een gezette man, de gewone MP-helm paste hem niet. Hij moest de lerenbandjes aan de binnenkant verwijderen als kon hij de helm niet op. Het was wel altijd lachen met hem, hij kon behoorlijk mopperen, trouwens nu nog. Wij liepen op patrouille in de Kalverstraat  en daar zijn van die ijzeren luiken om bijvoorbeeld goederen in de kelder te laden. 

Plots zag ik nog maar net de witte MP-helm van mijn patrouillecommandant, want hij was door een luik gezakt die niet goed was gesloten. Ik kon niet meer van het lachen, gelukkig had hij niets gebroken, maar zou hij wel een blessure hebben opgelopen, dan kon ik hem niet helpen. Ik plaste bijna in mijn broek het was geen gezicht, als ik er nu nog aan denk zie ik dat beeld weer voor me.

Circus op de dam

Op één keer ik was patrouillecommandant en gingen wij in de middag op patrouille ons controlepunt was op de dam, het was zomer. De Amsterdammer houdt niet van gezag en zeker geen gewapend gezag. Er waren een paar gekken die haalde voor onze ogen de gekste capriolen uit, zij gingen voor ons dansen lagen gekke bekken op de grond te trekken. In een ommezien van tijd stond het zwart van de toeristen en gekken. Mijn patrouillemaat zei:”korp ik trek mijn gummilat en sla die vent voor zijn bakkes. Ik zei:”nee niets doen ik ken de Amsterdammer een beetje, hij raakt ons echt niet aan, hij kijkt wel uit”. Na 10 minuten zat onze tijd erop en liepen wij door de menigte die keurig netjes opzij gingen, zij riepen nog wel: KOLKEMMER MOTTENAAIER (Amsterdams). Wij gaven geen krimp en liepen gewoon door.

Aanval van jongeren op de zeedijk
Na afloop van een patrouille liepen wij richting kazerne via de zeedijk en het kolkje een nauw zijstraatje van de zeedijk. Aan de ene kant water en aan de andere kant pakhuizen, het was er zo smal dat er net een auto kon rijden. Op een gegeven moment kwam een grote Amerikaanse auto ik geloof een Chevrolet met 4 jongeren. Zij begonnen te schelden en reden met hun auto bijna tegen de achterkant van onze benen en weer stoppen en weer bijna tegen onze benen. 

Ik zei:” mannen ik weet niet wat jullie willen, maar ik geef mijn wapens aan mijn collega en dan gaan wij eens kijken wat jullie willen. Ik waarschuw jullie vast, kijk naar links daar is water en rechts zijn pakhuizen dus ik denk als jullie zo doorgaan in het water eindigen”. Ik hoorde de hersenen knarsen van de vier, zij dachten dat mariniertje van 1 meter 72 daar valt niet mee te spotten, wij kiezen maar eieren voor ons geld. Het waren toch wel sportieve gasten, zij zeiden sorry en groeten ons vriendelijk, je ziet maar zo kan je een probleem ook oplossen.

MP-opleiding klaar voor vertrek naar taptoe Delft, als fakkeldrager (1962) (ik zit gehurkt rechts)

Wij van de MP-opleiding waren uitverkoren om deel te nemen als fakkeldrager aan de taptoe Delft. Eén optreden in de middag en één optreden in de avond. Het was altijd overvol, de taptoe Delft was zéér populair bij de Nederlanders.

 

Ook ik ging na mijn diensttijd altijd naar de taptoe. Toen tap toe Delft werd opgeheven en naar Breda en thans Rotterdam ging, sprak het mij niet meer zo aan. Toen wij in Delft liepen het regende pijpenstelen, ik zal dat nooit vergeten, onze witte petkapjes waren na ieder optreden pikzwart van de roet uit de fakkels.  Onze beloning voor die inzet was een flesopenaar met de oude kerk erop. Over extra uren maken werd natuurlijk helemaal niet gesproken, niet lullen gewoon gaan! Het is nu wel anders,  in het weekend is de kazerne gesloten, is er vakantie, of er overwerk wordt uitbetaald weet ik niet, maar ik zal daar niet gek van opkijken.

Katje uitbetalen

Als er het katje uitbetaald moest worden, gingen wij als MP-er als  beveiliger mee om het geld van de bank te halen . Dit werd met de meeste veiligheidsregels omkleed. Niet rechtsstreeks naar de bank, nee eerst enkele straten door, kijken of wij niet werden gevolgd en dan naar de bank. Eerst binnen kijken of het veilig was en dan pas naar binnen. Wij waren bezig om het geld in ontvangst te nemen, toen er plotseling een boer de bank binnen kwam. Hij droeg een rieten mand met een geruite boeren theedoek over de mand heen. De boer haalde de doek van de mand, zoveel geld had ik nog nooit gezien. De boer zei:”mogge ik komme miene geld efcus storten”, wij waren stom van verbazing.

 

De kerk in Delft met een herinnering
Toen ZKH Prins Bernhard stierf was ik op vakantie in Turkije, als eerbied voor hem heb ik een stuk van mijn zwarte sok afgeknipt en als rouwband aan mijn arm gedaan.

Toen ik de laatste eer ging bewijzen in paleis Noordeinde, waar hij lag opgebaard, was ik als eerste bij het hek aanwezig in mijn COM-pak. Er kwamen veel journalisten op mij af met de vraag of ik de Prins wel eens ontmoet.Persoonlijk heb ik hem niet ontmoet en ik vertelde mijn verhaal wat ik met de sok had gedaan in Turkije. Toen de begravenis in de kerk in Delft werd gehouden en de dominee zijn lijkrede hield, die rede was als volgt. “ De prins was zo geliefd onder militairen en oud militairen dat er één oud marinier die op vakantie was, als eerbetoon  één zwarte sok om zijn arm  deed”. Dat is toch wel bijzonder niet waar? Ik was stom verbaasd dat die dominee mij in zijn rede betrok. 

Carriere voor mijn diensttijd

Na mijn schoolopleiding wilde ik de wereld zien…..varen dat was het. Mijn moeder had het niet meer haar zoontje bij al die ruwe kerels en dan die gevaren op zee, vreselijk! Het varen ging ondanks verzet van mijn Moeder toch door.Iik ging solliciteren bij de Holland Amerika Lijn (HAL) in Rotterdam. Eerst het z.g. bijwerken in de haven of in het dok, het was koffie drinken, koffie drinken en kaarten, dat was knap vervelend. En ja hoor eindelijk, ik moest op kantoor komen, het is nu hotel New York. Ik ging eindelijk varen op een Victorie, dat was een schip in de 2e wereldoorlog gebouwd, voor het vervoeren van oorlogsmaterialen t.b. v. de geallieerden in Europa. Dat was toen een behoorlijke linke baan, je kon ieder moment door een Duitse U-boot tot zinken worden gebracht. Ik heb groot respect voor de zeelui die toen vaarden en hun leven voor ons waagde! 

 

 

Ohjee, ons schip werd in Antwerpen geladen

Ik zal nooit vergeten dat wij een zodanige storm hadden met golven zo hoog als een huis, je zag een muur van water op je af komen. De ruwste zeeman (zijn taalgebruik zal ik hier niet herhalen) deed een schietgebedje. De waterdichte deuren en patrijsporten moesten dicht en wij liepen met een zwemvest dat was geen pretje.

De lading bestond uit zeer dure auto’s voor de rijke Amerikaan, die lading  was gaan schuiven. Ik heb niks tegen de Belgen, maar de lading was in Antwerpen verkeerd geladen. Zij hadden eerst losse broodje aluminium geladen en daar bovenop die dure auto’s. Wij kwamen met een slagzij van 20 graden in New York aan. Er was geen één auto meer heel, de verzekeringsagent van Lloyds schrok zich te pletter. Het was een mooie tijd en ik heb veel landen aangedaan, bijvoorbeeld de Golf van Mexico, de oost en westkust van Amerika enz.

De SS Rotterdam

Na terugkomst in Rotterdam moest ik op kantoor komen, of ik op het vlaggenschip van de HAL wilde varen, de S.S. Rotterdam. Ik zei direct ja het was een hele eer om op dat schip te mogen varen. H et was het eerste schip in de wereld zonder groten pijpen, zoals de overige oceaanreuzen. De eerste reizen waren naar New York en terug, wij vervoerden veel emigranten, het was in de jaren 50. Toen een wereld reis, dat was gigantisch. Eerst passagiers in Nederland, Engeland, Amerika enz. ophalen. Dan de Cariben, Curaçao, Aruba, Haïti, St. Maarten, Jamaica enz. enz. Daarna naar Spanje, Frankrijk, Monaco,  Italië, Malta, Egypte, het Suezkanaal, India, Sri Lanka, Japan, Hawaï, West Amerika, Mexico, Panamakanaal en nog diverse andere landen. 

Carriere na mijn diensttijd

Na mijn diensttijd heb ik gesolliciteerd bij de Raad van State,alwaar ik meer dan 7 jaar heb gewerkt. De grote baas was de heer Beel, vice President van de Raad.  Maar dat binnen zitten bij die deftige ambtenaren was niks voor mij, ik wilde een vrij beroep. Er werd bij de Rijkspolitie een nieuw afdeling opgericht, het was de parketpolitie. Deze functie bestond uit de beveiliging van de tweede en eerste kamer der Staten Generaal. Diensten bij de Hoge Raad, paleis van Justitie en Kantongerechten, het vervoeren van gedetineerden. Ook het uitzetten van illegale vreemdelingen hoorde bij deze functie. Spannend was op pad te gaan met arrestatiebevelen en het arresteren van verdachten.Wij gingen over schuttingen en zelfs over daken het was soms net Wild West. Menige deur is door ons ingetrapt, met een karate trap lukte het meestal wel.  Maar niet altijd, mijn collega zei:”de man die wij moeten hebben staat voor het raam maar doet niet open. Kan jij de deur intrappen?” Natuurlijk” zei ik, ik gaf een trap tegen de deur en ik stond te trillen. De man had de deur met een balk gebarricadeerd en stond boven voor het raam met zijn duim onder zijn kin en lachte zich rot. Ik zei: ”pak het reserve wiel is, ik plaatste het voor het busje en zo kregen wij toch toegang tot onze arrestant, hij was niet blij en lachte niet meer! Ik werd tevens  ik gevraagd om de arrestatieteams en politiegroepen sportles te geven. Met de arrestatieteams heb ik heel prettig gewerkt en ik was trots dat men mij  had gevraagd voor deze funkties. 

Gevraagd voor de functie van veiligheidsofficier
Ik moest bij de grote baas van het arrondissement Den Haag komen, hij deelde mij mede dat hij mij wilde hebben in de functie van veiligheidsofficier.

Kan jij de deur intrappen?” Natuurlijk” zei ik, ik gaf een trap tegen de deur en ik stond te trillen. De man had de deur met een balk gebarricadeerd en stond boven voor het raam met zijn duim onder zijn kin en lachte zich rot. Ik zei: ”pak het reserve wiel is, ik plaatste het voor het busje en zo kregen wij toch toegang tot onze arrestant, hij was niet blij en lachte niet meer! Ik werd tevens  ik gevraagd om de arrestatieteams en politiegroepen sportles te geven. Met de arrestatieteams heb ik heel prettig gewerkt en ik was trots dat men mij  had gevraagd voor deze funkties. 

Gevraagd voor de functie van veiligheidsofficier
Ik moest bij de grote baas van het arrondissement Den Haag komen, hij deelde mij mede dat hij mij wilde hebben in de functie van veiligheidsofficier.

Ik deelde hem mede dat ik daar over na moest denken, want ik gaf sportles, ik floot de voetbalwedstrijden van de politiegroepen en gaf karateles. Ik zei:” ik heb 8 dagen vakantie en daarna zal ik het vertellen wat mijn beslissing is”. Na die 8 acht dagen zei mijn commandant:” je moet bij de baas komen. Ik kwam binnen en de baas zei: ”hartelijk gefeliciteerd ik heb hier de beschikking getekend door de minister, jouw kamers zijn naar jouw wens ingericht, en sportles mag je blijven geven”. O ja hij zei ook nog dat er een dojo (Japanse oefenruimte) en sportruimte in het paleis zou worden gebouwd, die mag je uiteraard gebruiken. Ja mensen toen was er nog geen crisis, echt alles kon toen bij het Rijk. Na enkele maanden vroeg de leiding of ik ook de functie van hoofd operationele beveiliging en hoofd bedrijfshulpverlening wilde bekleden. Dus ik had ineens drie functies, geen probleem dacht ik “MARINIER TOCH”. Thans ben ik al bijna acht jaar met pensioen en heb 42,5 jaar pensioen van het Rijk. 

 

 

Prins Willem-Alexander en prinses Maxima

Misschien kunnen jullie je het nog wel herinneren misschien, Prinses Maxima had een aanrijding gehad in het Haagse Bos, toen zij het paleis Huis Ten Bosch verliet. Zij moest in het Haagse paleis van Justitie bij de rechter verschijnen. In samenwerking met de dienst Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) moest ik de zitting in goede banen leiden. Ik was al een paar keer met de prins op bezoek geweest naar de andere instanties van het arrondissement, dus de Prins wist wel wie ik was. 

Ik mocht het Prinselijk paar in mijn kamer ontvangen en legde uit wat de procedure van de zitting was. Ik had voor een lekker kopje koffie gezorgd en ik mag wel zeggen het was gezellig. De Prins had wel veel belangstelling voor een hele oude prent van Admiraal Michiel de Ruyter onze grote baas. De zitting was naar wens verlopen en dan ben je blij dat alles goed is gegaan, dan haal je verlicht adem. Enkele jaren later bij de veteranendag in Den Haag bezocht de Prins na het defilé de marinierstent,  hij zag  mij, kwam naar mij toe en zei: “ meneer Beij wat leuk dat ik u hier weer zie”. Ik zag de maten kijken het was in hun ogen te lezen, die Hans vertelt toch geen sterke verhalen.

 

Op Veteranendag in Den Haag, ik rechts

Kiespijn

Ik heb altijd wat met tandartsen. In mijn tijd bij de Marine had ik al gedonder met onze scheepsarts op “de Kortenaer”. Ik kreeg op zee acute kiespijn en onze scheepsarts, die nooit van z’n leven een kies of tand had behandeld, zag in mij een mooie  gelegenheid om zijn gloednieuw instrumentarium op mij te beproeven. De lach van onze scheepsarts leek 100% op het hinniken van een dekhengst.  Dat deed hij ook toen hij zich glunderend over mij heen boog teneinde met een hamertje mijn zieke kies te traceren. Hij meende  op mijn tanden xylofoon te kunnen spelen door flink te rammen op al mijn tanden en kiezen.

Gelukkig zong hij daar niet bij, want ik zweer jullie dat deze hinnikende dekhengst een scheepsramp zou hebben veroorzaakt. Toen die gek op mijn kiezen was uit getimmerd, stond ik zowat náást de behandelstoel waarop ik hoorde te zitten. Boren was d’r niet bij en ik hoorde hem vergenoegd knorren bij het uitzoeken van zijn instrumentarium. Hinnikend boog hij zich daarna over mij heen en ik zag een glimp van een verchroomde tang die in mijn mond werd geperst.

Ik ging haast door het dek van de pijn, want van enige verdoving was geen sprake. Ik voelde een gekraak en proefde tandsplinters, maar die dekhengst gelukte het niet om de kies te trekken; áls d’r al sprake was van de juiste kies, want daarover heb ik nog steeds mijn twijfels. Hierna verscheen een hand met daarin een soort kurkentrekker in mijn gezichtsveld. De kurkentrekker had aan het uiteinde een haak die zich achter mijn zieke kies klauwde. Hinnikend trok die dekhengst daarna met volle kracht aan de greep van de kurkentrekker. 

 

Hoe meer hij trok, hoe meer ik met hem omhoog ging. Het bloed spatte tegen het lage plafond en op onze kleren; ik was totaal ontredderd en de ziekenverpleger die de scheepsarts moest assisteren was asgrauw geworden. Op een gegeven moment hinnikte de arts tegen mij: “Het lukt mij niet beste man. Ik ben tenslotte geen tandarts.” Dát had ik al lang begrepen! Ik kreeg een morfine spuitje tegen de pijn en werd vrij van dienst gesteld. In Hollandia, de eerstvolgende aanloophaven, heeft een echte tandarts mijn zieke kies behandeld. De kies is nooit getrokken, want hij zit nu nog altijd in mijn mond als souvenir uit mijn “Term” in  Nieuw Guinea.

Orkaan op de Noordzee

Als dienstplichtige Torpedomaker ben ik op de kruiser HRMS De Ruyter geplaatst vanaf  juni1970 tot 31 december 1971. In juni 1970 lag De Ruyter in het dok bij Wilton Fijenoord in Schiedam.

Na het groot onderhoud zijn we buitengaats gegaan met windkracht 6. Dat was even wennen. De echte vuurdoop heb ik gehad toen de Ruyter schip van de wacht was. Het weer was zo slecht dat er sprake was van een orkaan op de Noordzee. Hier het artikel uit de krant die daar melding van heeft gemaakt.

 

Orkaan op Noordzee

Scheveningen, 4 november 1970.

 

Verschillende kustvaarders zijn gisteravond op de Noordzee in moeilijkheden geraakt. Er stond een zware tot orkaanachtige storm. De Nederlandse kruisers "De zeven provinciën" en "De Ruyter" en de fregatten "Tjerk Hiddes" en "van Nes" alsmede vliegtuigen van de marineluchtvaartdienst hebben de in nood verkerende schepen hulp geboden.

Het 718 ton metende Britse schip "Foxtongate" melde gisteravond, dat het slagzij maakte en dat de bemanning begonnen was de deklast te kappen. De "Foxtongate" raakte op de Noordzee in een mijnenveld. De kruiser "De Ruyter" had het schip in zicht, maar kon het niet naderen.

Later werd gemeld dat een schip langzij de "Foxtongate" lag. Het marinevliegtuig, dat boven dit schip cirkelde heeft zich daarop naar "Rigel" begeven, dat ook in nood verkeerde.De bemanning van "Rigel" heeft het schip op het strand van Texel aan de grond gezet. Het Duitse ss "Heimatland"  (500 brt) melde gisterenavond dat ook zijn deklast was gaan schuiven. en dat het schip 25 graden slagzij had. Ook dit schip vroeg hulp, maar kon later zijn weg vervolgen.Het Duitse schip "Annette Bos" melde dat vijf mijl ten noorden van het lichtschip Texel een man overboord was geslagen. De bemanning van "Rigel" is inmiddels per helikopter gered.

 

Tijdens deze storm ben ik behoorlijk zeeziek geworden. De Ruyter heeft toen ook averij opgelopen. In Den Helder zijn toen de nodige herstelwerkzaamheden uitgevoerd. 

Daarna ben ik nooit meer zeeziek geworden, ook niet in oktober 1971, toen we in de middellandse zee, dagen achtereen in een orkaan verkeerde.Het merendeel van de bemanning was toen ziek. Degene die niet ziek waren konden zich in de avond dik eten aan de hoeveelheid snacks. Ik heb een geweldige tijd gehad aan boord, had ik niet willen missen.

Koken voor het Koningshuis

Ik heb ooit in mijn werk bij de Koninklijke Marine kennis mogen maken met Koningin Beatrix en zijne Koninklijke Hoogheid prins Claus.

In 1974 ontmoette ik prins Claus tijdens een bezoek van hem aan het eskader, hij bezocht elke dag een andere eenheid van dit eskader.
Op vrijdag kwam hij op bezoek op Hr. Ms. Groningen. Op elk schip gebruikte de prins de warme maaltijd.De commandant had een menu samengesteld van ossenstaartsoep, biefstuk van de haas, pommes parisiennes en haricots vers en selderij, en ijs als nagerecht.

Tijdens zijn rondleiding kwam de prins langs het kombuis waar wij met de middagmaaltijd van de bemanning bezig waren.Hij liep naar binnen en zag dat wij gebakken schol zouden gaan eten.“Oh, heerlijk een gebakken scholletje, daar ben ik dol op” verklaarde de prins.Wij hebben daarna als de wiedeweerga het zilveren visbestek gepoetst en gereinigd omdat er bij de Commandant ook gebakken schol werd gegeten.

Een geweldige kerel en ik begrijp dat de Koningin veel verdriet heeft met het verlies van ZKH Prins Claus.Ik hoop in deze tijden van verandering dat zij veel steun van de Koninklijke familie zal ontvangen.

In 1982 heeft Hare Majesteit Koningin Beatrix nog een bezoek gebracht aan Hr. Ms. “Zuiderkruis” waar ik toen chef hofmeester bij de Officiersmess was.Een bijzondere ontmoeting met het Koninklijk Huis.

Toen de huidige koning in opleiding was bij het Koninklijk Instituut voor de Marine diende mijn huidige partner bij de Bevelhebber der Zeemacht op het Koninklijk Instituut van de Marine.Ook later toen wij samen op Marinevliegkamp “De Kooij” dienden hebben we nog een maaltijd verzorgt voor ZKH Prins Bernard.

Wij wensen Koning Willem Alexander en Koningin Maxima veel succes toe met het vervullen van hun moeilijke functie.

 

Jan & Ingrid Rijks ( beiden LDV)

Welkom op het digitale -platform voor Marine 525

Lees verder

 

Welkom op marine525.nl

Een unieke online ervaring waarin we samen met de bezoekers 525 jaar marine in beeld gaan brengen.

 

Op 8 januari 1488 richtte Maximiliaan van Oostenrijk de marine op in de Habsburgse Nederlanden, om zo de steeds sterker wordende Engelse en Franse marines te kunnen weerstaan. Dat is in 2013 precies 525 jaar geleden. 

Daarnaast staan we op 30 november van dit jaar stil bij het feit dat de marine dan precies 200 jaar het predikaat ‘Koninklijke’ mag gebruiken.
Het hele jubileumjaar door zullen we evenementen organiseren in de oorspronkelijke Admiraliteitsteden, tijdens de Marinedagen en Sail Den Helder.